Saturday, September 20, 2014

Blerick: De IJzergieterijen Van Boom/Joiris (1843-1887), Hillen (1876-...) en Van den Bergh (1913-1936)

1. Van Boom & Joiris (Families Van Boom & Joiris)
2. Hillen (Familie Hillen)
3. Van den Bergh (Familie Van den Bergh)


VAN BOOM & JOIRIS

1. Van Boom (1841) / Van Boom en Joiris (1870) (1884 overname door Joh. Hillen)

Eerste Blerickse ijzergieterij. De gieterij lag aan een weggetje (ut Geeteriewaegske) dat naast de pastorie schuin naar de Maas toe liep. De fabriek werd op 24 februari 1843 opgericht door Pieter Jozef van Boom en diens broer Jozef Frans. Een goed jaar later traden hun zwager Jan Jozef Joiris en zijn zoon Hendrik tot de firma toe. Zo ontstond de ijzergieterij Van Boom & Joiris. De produktie startte in 1844 en bestond aanvankelijk uit gietijzeren potwerk, later gevolgd door fabrieksgereedschap. In 1869 werd het houten gebouw vervangen door een stenen gebouw. Het produkten-assortiment nam in de loop der jaren enorm toe. Er werden onder meer kachels, steenkoolbakken, sopketels, dakramen, strijkijzers, dakgoten, roosters en ijzeren pompen vervaardigd. Tot de klantenkring behoorden vele bekende Noord- en Middenlimburgse industriële pioniers. In 1887 werd de ijzergieterij opgeheven omdat in dat jaar alle firmanten waren overleden en er geen opvolger was. Negen jaar later, in 1896, werd de gieterij, op enkele restanten na, gesloopt.

[1]


Rivierkaart (1849): vermoedelijke locatie 'Van Boom & Joiris' [groene ovaal].


Kadasterkaart (1897): vermoedelijke locaties van 'Hillen' [groene ovaal boven] en 'Van Boom & Joiris' [groene ovaal beneden].


Luchtfoto 1944: de rechthoekige locatie van 'Van Boom & Joiris' [pijl].




Locatie anno 2017.


VAN BOOM / JOIRIS

De periode 'Joiris in Blerick' lijkt bijna exact 100 jaar te hebben geduurd. De familie Joiris in Blerick is een van de verschillende Luikse families die zich in Blerick zouden vestigen. Jan Joseph Joiris is in Luik geboren in 1787 uit een familie van koopvaarders/schippers.

14-09-1828: J.J. Joiris 'Pesages sur la meuse'

20-09-1834: nalatenschap Houba

28-02-1840: brand

14-09-1840: J.J. Joiris benoemd als schepen

28-02-1844: J.J. Joiris benoemd als lid Kamer van Koophandel

29-01-1846: J.J. Joiris afgetreden als schepen

02-02-1846: J.J. Joiris continuatie lid Kamer van Koophandel

18-01-1849: J.J. Joiris continuatie lid Kamer van Koophandel

18-09-1851: H.J. Joiris verkiesbaar voor gemeenteraad

30-08-1852: J.J. Joiris neemt werk aan voor 11859

13-10-1858: H.J.S. Joiris neemt werk aan voor 5669, 5196 en 4784

14-10-1864: H.J.S. Joiris neemt rivierwerken aan voor 21763

12-10-1868: S.H.A. Joiris tot 1e luit.kwartierm. van de op te richten schutterij

24-01-1881: openbare verkoping

29-01-1881: eigenaarschap naar H. Joiris

1887: openbare verkoping

16-02-1928/03-03-1928/17-03-1928: nalatenschap Anna Joiris




Families Van Boom & Joiris

De broers Pieter Jozef en Jozef Frans van Boom startten in 1843 hun gieterij, een jaar later sloten Jan Joseph Joiris en zijn zoon Hendrik Josef Simon aan bij het bedrijf. Deze heren werkten niet alleen in het bedrijf samen - prive speelde de familie Houba een centrale rol: van deze vier heren waren er drie gehuwd met dochters van Hendrik Paulus ('Henri', 'Paul Henri') Houba.

Christiaan Jozef van Boom                      Hendrik Paulus Houba               Simeon Joiris
"koopman"                                      "herbergier"                       "koopman binnenvaart"
(geb.4 feb 1774, Roermond;                     (geb.10 dec 1760, Blerick;         x Agnes Renoir 
 ovl.8 mei 1859, Venlo)                         ovl 8 okt 1833, Blerick)
x Cornelia Elisabetha Keuller                  x Marie Catharina Clemens          
                                           /   (geb.30 nov 1763, Blerick; \  
  - Pieter Jozef van Boom                 /     ovl.14 okt 1807, Blerick)  \        - Jan Joseph Joiris
  (geb.~1804, Venlo;                     /                                  \       (geb.22 mrt 1787, Luik;
   ovl.11 jun 1880, Venlo)              /                                    \       ovl.26 jun 1853)
  "bronsfabricant"                     /                                      \     "schepen"
  x (20 sep 1837, Venlo)              /                                        \    x (9 mrt 1813, Venlo) 
    Johanna Houba                                                                     Maria Catharina Houba
    (geb.~1800, Blerick;                                                              (geb.12 okt 1794, Dordrecht; 
     ovl.5 jun 1883, Blerick)                  x (25 mei 1813)                         ovl.9 nov 1838, Venlo)
                                           /     Elisabetha Augusta Henrietta de Laer
    - Maria Hendrika Hubertina van Boom   /      (geb.9 mei 1794, Dusseldorf;
      (1838-1842)                        /        ovl.23 nov 1874, Roermond)        
                                        /                                  
  - Jozef Frans van Boom               /                                              - Hendrik Joseph Simon Joiris
  "horlogemaker"                      /                                               [deelname gemeenteraadsverkiezingen 1851]
  (geb.20 jul 1806, Venlo;           /                                                (geb.22 jan 1816, Venlo;  
   ovl.27 jul 1844, Venlo)          /                                                  ovl.7 jun 1887, Venlo)
  x (3 jun 1835)                   /                                                  x (2 jun 1840, Venlo) 
    Maria Christina Augusta Houba                - Hubertina Jacobina Houba              Maria Eleonora Victoria Sijben
    (geb.18 jun 1813, Blerick;                     (geb.~1822, Venlo;                   (geb.22 dec 1818, Venlo)
     ovl.19 jun 1892, Venlo)                        ovl.1 feb 1901, Roermond)  
                                                                                        - Maria Josephina Hubertina Joiris
    - Henrietta Christina Hubertina van Boom                                            (geb.18 apr 1841, Venlo;
    (geb.17 feb 1836, Venlo;                                                             ovl.1 feb 1914, Venlo)
     ovl.14 apr 1839, Venlo)
                                                                                        - Servatius Hubertus Alphonsus Joiris
    - Johan Leo Hubert van Boom                                                         (geb.5 jul 1842, Venlo;
    (geb.10 mei 1837, Venlo;                                                             ovl.2 mrt 1876, Venlo)
     ovl.4 jan 1861, Venlo)
                                                                                        - Anna Catharina Martina Hubertina Joiris
    - Johanna Petronella Elisabeth van Boom                                             (geb.11 nov 1843, Venlo;
    (geb.21 dec 1838, Venlo;                                                             ovl.9 feb 1928, Venlo)
     ovl.25 apr 1853, Venlo)
                                                                                      x (?) ['partner']
    - Josephina Henrietta Hubertina van Boom                                            Maria Josephina Barbara Herfst
    (geb.19 jul 1840, Venlo)                                                            (geb.~1824, Maaseik;
                                                                                         ovl.27 dec 1889, Venlo)
    - Hendrik Antooin Hubert van Boom
    (geb. 10 aug 1842, Venlo;
     ovl. 7 nov 1928, Venlo)

    - Karel Clemens Hubert van Boom
    (geb.~1844;
     ovl.27 nov 1920, Venlo)

  - Antoine Servais van Boom
    (geb.9 sep 1810)

  - Francis Antoon van Boom
    (geb.~1813, Venlo)
     ovl.24 mrt 1816, Venlo)

x (7 nov 1817)
  Maria Cornelia Wassenbergh
  (geb.29 dec 1780, Venlo)

  - Francis Hubert van Boom
  (geb.~1823, Venlo;
   ovl.10 jan 1830, Venlo)


HILLEN

2. Hillen & Penning (1876) / J. Hillen & Zonen (1876) / Joh. Hillen & Co. (1880) / N.V. Mij. tot Expl. Van Joh. Hillen’s IJzergieterij en Machinefabriek (1910) / Gebr. Holthuis

De firma Hillen & Penning werd in 1877 door Johan Hillen (geb. 16-9-1821, overl. 11-5-1895) gesticht en maakte een snelle groei door. Terwijl het met 24 werknemers was begonnen, telde het inmiddels Johan Hillen & Co. geheten bedrijf in 1884 al circa 100 werknemers. De op een terrein achter de Pontanusstraat gelegen (waar nu La Plaza is) firma gold als een van de grootste werkgevers van Blerick. De ijzergieterij van Hillen fabriceerde een breed scala produkten, variërend van landbouwwerktuigen tot boekenrekken en van schroefbouten tot bruggen. Voor zijn produktie wekte het bedrijf zelf elektriciteit op met een generator, omdat Blerick rond de eeuwwisseling nog niet over stroom beschikte. Hillen leverde ook elektriciteit aan de nabijgelegen pastorie. Na de dood van Johan in 1895 zetten de zoons Henri en Piet het bedrijf voort. Zij werden ondersteund door de daarvoor speciaal uit Susteren gehaalde Bernard van den Bergh, die in 1913 een eigen ijzergieterij begon in Blerick. In 1916 werd Johan Hillens Ijzergieterij en machinefabriek gekocht door de uit Veendam afkomstige Th. Holthuis. Uit zijn bedrijf kwam later Geho-pompen voort.


Pontanusstraat: gebouw van Hillen links gemarkeerd met 'I'.

1877
"De Venlose Kamer ziet in 1877 weer veel rampspoed op de regio af komen: ‘De oorlog in het Oosten (Russisch-Turkse Oorlog 1877-1878 – hh) en de vrees voor verdere verwikkelingen werkten zeer nadeelig op handel en nijverheid.’
Desondanks is ze blij te mogen vaststellen dat ‘de Zaterdagsche markt zich steeds kenmerkt door een bijzonder druk verkeer; dezelfde wordt veel van de bewoners der Maasdorpen en van die uit Pruissen bezocht’. Wel is er een minpuntje, want ‘op den varkensmarkt werden 22.413 biggen aangebracht, zij waren iets minder in prijs dan verleden jaar en werden verkocht vanaf fl. 2,88 tot fl. 13,44 per stuk’. Gelukkig wordt er nog geïnvesteerd, ondanks die dreiging uit het Oosten: ‘Door den Heer L. Hendrikx alhier is een stoomzaagmachine opgericht van 3 paardenkracht en door den Heer H. van Elswijck een zaag- en draaistoommachine van 2 paardenkracht. De zeepziederij van den Heer J.L. Wolters werkte weder met gunstige resultaten. Er werden daarin 105.900 kilogram zachte zeep vervaardigd. Tegenover deze stad, te Blerick, is door de Heeren Hillen en Penning eene fabriek opgericht met machinen van 15 paardenkracht, tot het vervaardigen van nieuwe en repareren van oude stoommachinen en landbouwwerktuigen, het maken van schroefbouten en klinknagels’."
[6]

1877

Oprichting

1877

Opdracht schip

1880

Ongeval

01-08-1881
"Friedrich Holler, een van de drie te Venloo gearresteerde valsche munters, zal vóór zijn uitlevering aan Pruisen nog eerst met de justitie af te rekenen hebben wegens diefstal van verscheidene voorwerpen bij den ijzerfabrikant Hillen te Blerik. De gestolen voorwerpen werden bij hem gevonden."

1884
Scheeps-, ketel- en bruggenmakers kunnen direct bij Hillen aan de slag.

1886
"Op 18 september 1865 kwam de eerste vaste oeververbinding tot stand. De toen gebouwde brug was in de eerste plaats voor het spoorwegverkeer bedoeld, maar bood ook aan voetgangers en later aan fietsers de mogelijkheid de Maas over te steken. De pijlers van de spoorbrug waren zo geconstrueerd dat ze een tweede brug konden dragen. Die tweede brug kwam er in 1886. De Blerickse aannemer Joh. Hillen kreeg opdracht de bestaande brug op zijn pijlers te verschuiven. Dat gebeurde in noordelijke richting. De oude brug deed sindsdien uitsluitend dienst als verkeersbrug."
[5]

1887
Bekwame bankwerkers gezocht.

22-05-1892
"In de Maas, ter hoogte van Boksmeer, is Zondag de machinist van een stoombaggermolen, van den heer Hillen te Blerik, over boord geslagen en verdronken. Zijn lijk is nog niet opgevischt."

19-10-1892
"Heden werd alhier een paartje in den echt verbonden, dat te zamen niet minder dan 117 jaren telde. De vreugdeschoten, die bij deze gelegenheid gelost werden, hadden het ongelukkige gevolg, de paarden, die aangespannen waren tot het vervoer ecner in de fabriek van den hr. Joh. Hillen alhier vervaardigde ijzeren brug, wegende ruim 8000 kg., op hol te doen gaan. Het gevaarte kwam terecht tegen het woonhuis van hr. Jansen; en daardoor stortte een groot gedeelte van den gevel in."

1895

Medewerkers van Hillen in 1895.
[Met dank aan Ruud Merkx voor de foto]

1906

40 pagina's tellende reclamefolder

03-05-1910
"Failliet verklaard op 28 April: P. Hillen, ijzer- en metaalgieter, handelende onder de tirma Joh. Hillen te Blerick, gem. Maasbree. Rechter-comm. mr Baron de Bieberstein, curatoren H. van Boom sr. te Venlo, en jhr mr G. Michiels van Kessenich te Roermond."

14-08-1910
"Vernietigd de faillietverklaring van 0. Hillen, te Roermond, gewoond hebbende te Blerick en daarna te Venlo."

17-11-1910
"Openbare Verkoopt van Onroerende en Roerende Goederen te Blerick De Notaris VISSERS, te Blerick, zal Maandag 21 November 1910, 's morgens om 10 uut, ter herberge van M. BOUTS, te Blerick a/d Maas, krachtens art. 12238.B.W, publiek verkoopen: De navolgende Onroerende Goederen onder Blerick, gemeente Maasbree: De in volle werking zijnde Machinefabriek en IJzergieterij der firma JOH. HILLEN, met alle Machinerieën, Gietkasten en Vormen, benevens aangrenzend solied geDouwd HEERENHUIS Sectie A, No. 4731, groot 14 Aren, benevens zes Burgerhuizen, een Landbouwerswoning en diverse perceelen Bouw- en Weiland, te zamen groot 3.10.85 Hectaren.
Onmiddellijk na afloop hiervan ter herberge voormeld, ten verzoeke der H.H. Curatoren in het faillissement van den Heer J. HILLEN, a Contant, de volgende Roerende Goederen als: oud en nieuw Gietijzer, gegoten ijzeren stukken als: Kamraderen, Riemschijven, Vliegwielen, Schoolbankpooten, Gasfittings, Blokschijven, Assen, Vormstiften enz., benevens een Paard en Wagen, Kantoormeubelen en meo andere zaken. (8763) Een en ander is te bezichtig in bovengemelde Machinefabriek op Zaterdag 19 November a.s., van 's morgens 9 uur tot 's namiddags 5 uur en op Maandag 21 November a.s., vanaf 9 uUr 's morgens, tegen betaling van 25 cts entrée, waarvoor Catalogi wordt afgegeven. Zegt het voort!"

17-12-1910
"Maatschappij tot exploitatie Joh. Hillen's IJze ieterij en Machinefabriek, te Blerick bij Venlo. Doel is het aankoopen en exploiteeren van de machinefabriek en ijzergieterii der firma Joh. Hillen, gelegen te Blerick bij Venlo. Duur 30 jaren. Kapitaal ƒ 60,000, verdeeld in 60 aandeelen van ƒ 1000."

1910

Ongeval

1912

Advertentie

20-12-1912
Bij Hillen kunnen bekwame zandvormers geplaatst worden.

19-11-1913
Werkplaats brand uit waardoor 50 man werkeloos worden.
"Te Blerik is de ijzergieterij en smelterij van de firma Hillen geheel afgebrand De brand brak uit in de maschinekamer; oorzaak onbekend. Verzekering dekt de schade."

14-03-1914
"Van den Bergh's Ijzergieterij.

In een bijvoegsel tot de Ned. St.-Courant van 11 Febr. 1914, No. 35, zijn opgenomen de statuten der Naaml. Vennootschap Van den Bergh's Ijzergieterij, gevestigd te Blerick.

Doel: Voortzetting van de tot dusver door B. H. van den Bergh gedreven ijzergieterij; Duur: tot 31 Dec. 1950; Kapitaal: f 150.000 verdeeld in aandeelen van f 1000 ; Bestuur: één of twee directeuren, waartoe voor de eerste maal zijn benoemd B. H. van den Bergh, industrieel te Blerick, en W. H. W. Syriër, koopman te Tegelen. Indien en zoodra het aantal aandeelhouders meer bedraagt dan vijf, wordt door de algemeene vergadering van aandeelhouders een raad van commissarissen benoemd, bestaande uit drie personen."

23-10-1914
Directeur Henri Hubert Hillen (62) overleden.

1916
Fam. Th.Holthuis (Veendam) koopt 'Joh. Hillen's IJzergieterij en Machinefabriek' voor 10.000 gulden Broers Rudolf en Joost starten naast gietwerk met het maken van pompen en de naam wordt GEHO (GEbroeders HOlthuis).

1924
Metaalwerkersbond klaagt dat bij Hillen 68 tot zelfs 102 uur in een week wordt gewerkt.

1930
Bij 8 gieterijen in de regio, waaronder Hillen, wordt gestaakt.

05-02-1931
Inschrijving voor onderhoud aan de Rijksveren voor 1931-1932.

18-06-1932
Advertentie "DEZE GEHO-POMP IS ALLES......"


04-09-1934
De rozen-, bloemen- en plantententoonstelling:
"De twee fonfijnen zijn gebouwd door de N.V. Tiglia, terwijl de watervoorziening verzorgd wordt door automatische Geho-pompen van de firma Jos. Wienen te Venlo."

nieuwe venlosche courant, 31-10-1941:
Af bramers en sjouwers gevraagd door Gebr. Holthuis Yzer- en Metaalgieierïj Blerick.

nieuwe venlosche courant, 21-12-1942:
Afbramers gevraagd N. t. GEBROEDERS HOLTHUIS IJzergieterij, Blerick

1956
Leiding overgenomen door Herman en Carol Holthuis

1991
Overname door Baker Hughes Inc

1994
Overname door Weir Group

[2] [3]

Familie Hillen


Albertus 'Alardus' Hillen (geb. ~1789, Blerick; ovl. 20 aug 1870, Blerick), hoefsmid
x (15 jun 1820, Maasbree) Maria Lucia Grubben (geb. ~1800, Blerick; ovl. 19 dec 1862, Blerick)

    - Joannes Hillen (geb. 16 sep 1821, Blerick; ovl. 11 mei 1895, Blerick)
    x (2 okt 1850, Heijthuysen) Elisabeth Cillekens (geb. 15 feb 1821, Heijthuysen; ovl. 3 okt 1904, Blerick)

        - Pieter Hendrik Hubert Hillen (geb. 30 jun 1851, Heijthuysen; ovl. 2 dec 1851, Blerick)
        
        - Albertus Paulus Hillen (geb. 30 jun 1851, Heijthuysen; ovl. 15 jun 1854, Heijthuysen)

        - Hendrik Hubert Hillen (geb. 13 aug 1852, Heijthuysen; ovl. 21 okt 1914, Blerick)
        x (16 sep 1901, Maasbree) Maria Holt

            - Johannes Josephus Maria Hillen (geb. 11 dec 1902, Blerick)

        - Maria Odilia Hillen (geb. 13 apr 1854, Heijthuysen); ovl. 24 dec 1914, Blerick)

        - Johannes Albertus Hillen (geb. 28 nov 1855, Heijthuysen; ovl. 9 jun 1929, Erp)

        - Petrus Hubertus Hillen (geb. 16 okt 1857, Heijthuysen; ovl. 19 aug 1923, Beek en Donk)

        - Johannes Alexander Hillen (26 mei 1861, Heijthuysen; ovl. 6 okt 1866, Heijthuysen)

        - Maria Hubertina Dorothea Hillen (geb. 15 jun 1863, Heijthuysen)

        - Maria Wilhelmina Elisabeth Hillen (geb. 11 jan 1865, Heijthuysen; ovl. 4 feb 1886, Blerick)
 
    - Alexander Hillen (geb. 16 sep 1821, Blerick; ovl. 19 jan 1898, Blerick)
    x (21 jan 1853) Petronella Bollen (geb. 20 nov 1835, Blerick; ovl. 13 apr 1861, Blerick)

        - Petrus Hubertus Hillen (geb. 7 feb 1854)

        - Albertus Theodor Hillen (geb. 29 jul 1855, Maasbree)

        - Albertus Theodor Hubert Hillen (geb. 24 nov 1856, Maasbree)

        - Theodor Johannes Hubert Hillen (geb. 31 aug 1858, Maasbree)

        - Caspar Wilhelmus Hillen (geb. 17 okt 1859, Maasbree)

    x (6 okt 1862) Maria Bernardina Verschueren (geb. 22 jun 1825, Heijthuysen)

        - Petrus Hendricus Hillen (geb. 8 nov 1863, Maasbree)
           
        - Caspar Joseph Hillen (geb. 26 jan 1865, Maasbree)

        - Lodewijk Franciscus Hillen (geb. 14 mei 1866, Maasbree; ovl. 3 okt 1904, Blerick)

        - Lucia Hubertina Hillen (geb. 8 jun 1867, Maasbree)

        - Lodewijk Hubertus Hillen (geb. 25 aug 1869, Maasbree)

    - Casparus Hillen (geb. ~1824; ovl. 9 nov 1882, Blerick)

    - Maria Hillen (geb. 1 feb 1827, Blerick)
    x (2 okt 1850) Gerard Peeters

    - Jacob Hillen (geb. 26 mei 1830, Blerick)
    x (24 mei 1856) Theodora Maria Gelders

    - Lucia Hillen (geb. ~1834, Blerick, ovl. 3 apr 1856, Blerick)

    - Dorothea Hubertina Hillen (geb. 25 jan 1836, Blerick)
    x (6 okt 1865, Maasbree) Carel Anto0n Gerard Linskens

    - Aldegonda Hubertina Hillen (geb. 28 nov 1839, Blerick)
    x (5 mei 1859) Gerard Hubert Seelen


VAN DEN BERGH

3. H.B. van den Bergh (1913)

Gesticht door de oorspronkelijk uit Susteren afkomstige H.B. van den Bergh. Hij had voor die tijd (vanaf 1895) bij IJzergieterij Hillen gewerkt. Van den Bergh begon in een pand aan de Pepijnstraat voor zich zelf. In 1914 kreeg hij de Tegelenaar Willem Syriër als compagnon. Deze maakte echter in 1924 weer plaats voor de Duitse industriëlen Eduard Vogel (Düsseldorf) en Friedrich Gerber (Krefeld). Na hun komst veranderde de naam in NV Nederlandsche Textielmachinefabriek 'Texty' en IJzergieterij Van den Bergh. De ijzergieterij vervaardigde gietwerk voor de werktuigbouw, zoals cilinders voor motoren, locomotieven en stoommachines, en werkte vooral veel voor scheepswerven. In haar hoogtijjaren bood ze werk aan ongeveer 150 mensen. De ijzergieterij ging in 1936 failliet als gevolg van de algehele recessie in de jaren dertig. In het bedrijfspand vestigde zich in 1937 de Blericksche Buizenfabriek.

1895

Inschrijving Hubertus Bernardus van den Bergh in de Gemeente Maasbree.

1913

Zandvormers gevraagd.

1916

Van den Bergh betrokken bij oprichting Nederlandse Vereninging van IJzergieterijen.

1916

Zand- en leemvormers gevraagd.

1918

Drie locomotieven te koop.

1925

Stopzetting werkzaamheden.

1925

Hervatting werkzaamheden.

het vaderland,18-12-1925:
In de fabriek van de - N.V. Van den Bergli's textielmachinefabriek en
ijzergieterij te Blerick, die naar aanleiding van het optreden der
arbeidsinspectie gesloten was, is de arbeid hervat. Er wordt weer met
volle kracht gewerkt door het geheele personeel.

1926

Hoogwater

1926

50-jarig jubileum als vormer van Jan Schoenmakers (met pet achter het bord).

1927

Ernstige val van een smid.

1927

Luchtfoto (op de voorgrond de huidige Pepijnstraat).

1929

Conflict in de metaalnijverheid.

1929

Vraag om loonsverhoging.

het vaderland, 21-10-1930:
De Ned. Textielmachinefabriek en IJzergieterij te Blerick (Venlo) maakt
land- en boschmachines, pompen, motoren, locomotiefcylinders, stoomlleren.
Zij produceert o»», per maand 85 ton aan cylinders.

1930

Staking.

1930

Strijd in metaalnijverheid.

1936

Faillissement.

1936

Openbare verkoop.

ca.1936

De panden inmiddels in gebruik door VBF.


Familie Van den Bergh



Hubertus Bernardus van den Bergh (1876-1956)

Hubertus Bernardus van den Bergh is 2 jan 1876 in Susteren geboren. Op 6 maart 1895 laat hij zich inschrijven in de Gemeente Maasbree en begint hij bij Hillen. Rond 1 mei 1925 gaat Van den Bergh in ondertrouw in Assen met Elisabeth Antonia Hubertina Legveld (geb.21 mei 1888, Baexem) en huwt haar aldaar op 25 mei 1925. Zij overlijdt al spoedig, op 15 aug 1925 in Blerick. Eind 1929 huwt hij in Oisterwijk jkvr. Francisca Hubertina de Kuijper (geb.10 okt 1890, Oisterwijk; ovl.22 sep 1959, Venlo). Op 27 jan 1956 overlijdt Van den Bergh in Venlo.


[1] Overzicht ijzergieterijen in Nederland 1689-2012 (www.nederlandsijzermuseum.nl)
[2] Weir Minerals Netherlands-jubileumbrochure 95 jaar NL (www.weirminerals.com)
[3] Blerickclopedie / Geho
[4] Diverse oude krantenberichten (www.delpher.nl).
[5] Blerickclopedie / Maasbruggen
[6] Twee Eeuwen Handel & Nijverheid (Kamer van Koophandel in Limburg 1804-2014)

Monday, April 07, 2014

My personal movie advice

My personal 'top category'

- Seven Samurai (1954, Akira Kurosawa)
- Vertigo (1958, Alfred Hitchcock)
- Aguirre, der Zorn Gottes (1972, Werner Herzog)
- Taxi Driver (1976, Martin Scorcese)
- Apocalypse Now (1979, Francis Ford Coppola)
- Koyaanisqatsi (1982, Godfrey Reggio)
- Sans Soleil (1983, Chris Marker)
- Ran (1985, Akira Kurosawa)
- Blue Velvet (1986, David Lynch)
- The Big Lebowski (1998, Joel & Ethan Coen)
- No Country for Old Men (2007, Joel & Ethan Coen)

My personal 'close-to-the-top category'

- North by Northwest (1959, Alfred Hitchcock)
- Psycho (1960, Alfred Hitchcock)
- Point Blank (1967, John Boorman)
- Bullitt (1968, Peter Yates)
- The Conversation (1974, Francis Ford Coppola)
- Down by Law (1986, Jim Jarmusch)
- Lost Highway (1997, David Lynch)
- Das Weisse Band (2009, Michael Haneke)

Category 'Documentaries'

- The Fog of War (2003, Errol Morris)
- Darwin's Nightmare (2004, Hubert Sauper)
- Manufactured Landscapes (2006, Edward Burtynsky)

Category 'Weird'

- Un chien Andalou (1929, Luis Bunuel)
- Vargtimmen (1968, Ingmar Bergman)
- Themroc (1973, Claude Faraldo)
- Eraserhead (1977, David Lynch)
- A Zed & Two Noughts (1985, Peter Greenaway)
- Gummo (1997, Harmony Korine)

Sunday, July 21, 2013

Vliegongeluk in Venlo (22 juni 1920)

Op de Algemene Begraafplaats Venlo is het graf van Henri Caubo, gestorven 22 juni 1920. Het grafschrift is als volgt: "Hier rust onze geliefde zoon en broeder Henri Caubo geb. te Venlo 21. april. 1894 aldaar bij een vliegongeluk jammerlijk om het leven gekomen 22.jun.1920"

Wat was er gebeurd?
Bron: Opsomming van de bekende ongevallen en incidenten in 1920

Te Venlo heeft dinsdag een vreselijk vliegongeluk plaatsgehad. De bestuurder was met twee passagiers opgestegen om reclamebiljetten te strooien. De machine vloog zeer laag boven de stad. Op het moment dat de biljetten uitgeworpen werden ontstonden er motorproblemen en stortte het toestel naar beneden. Het kwam terecht in de keuken van de heer Joosten in de Lomstraat. Even voor het viel zag men er plotseling een grote vlam uitkomen. De drie inzittenden werden gedood. De oorzaak moet het springen van de benzineleiding zijn geweest.

"De Gelderlander" meldt ook nog dat " ... de tocht werd gedaan in een aeroplaan met een Spycker-motor waarbij de benzine-toevoer niet zó kan geschieden, dat er geen gevaar bestaat voor ontbranding. Bovendien zou de vlieger kort voor de demonstraties meer gedronken hebben dan voor een aviateur, die met passagiers opstijgt, wel gewenscht is."

Gezagvoerder: E.J. Need(┼).
Passagiers: L.H. Caubo(┼); J. Overbeek-Kools(┼).

NB. Sergeant-vlieger E.J. Need (de pers noemde hem Neets en ook wel Beets) was een Soesterberger die op 4 maart 1920 zijn militair brevet haalde. De DFW was het gezamenlijke eigendom van Need, Van de Griend en Geysendorffer. Ze hadden verlof en maakten om de beurt tochtjes met passagiers. Ook de namen van de passagiers worden in andere kranten anders geschreven: Caub en Overbeke. En tenslotte wordt in RSL-rapport V.13 gesproken over een Benz-motor!

Afschrift Rapport V.13 van de Rijks Studiedienst voor Luchtvaart
Rapport V13
Den 22sten Juni 1920 had te Venlo een ongeluk plaats met dodelyken afloop voor bestuurder en twee passagiers. De sergeant N. hield met een eigen D.P.W. toestel demonstratie- en passagiersvluchten te Venlo, waar kermis was. Toen hij op plm. 50 M. boven de huizen vloog, stopte de "Benz"-motor (220 P.K.) en het toestel moest dalen in de stad, waarby het in een keuken terecht kwam en in brand geraakte. Het toestel was kort tevoren te Soesterberg door den chef van den Technischen Dienst gekeurd en geheel in orde bevonden.
CONCLUSIE: roekeloos vliegen door een zeer ervaren vlieger op geringe hoogte boven een stad.



Sunday, June 09, 2013

Nieuwe straatnamen in Blerick (1941)

Limburger Koerier, 16-05-1941

NIEUWE STRAATNAMEN

B. en W. stellen den raad andermaal voor, de namen van eenige straten in de afdeeling Blerick te wijzigen als volgt:

Markt: Raadhuisplein.
Groote Lambertusstraat: Lambertusstraat.
Kleine Lambertusstraat: Maasveldstraat.
Stationstraat: Graaf van Loonstraat. Een der leden van het geslacht van Loon vestigde zich omstreeks 1134 als eerste graaf te Blerick.
Groote Molenstraat: Averbodestraat. De abdij van Averbode had sedert de 13e eeuw het patronaatsrecht d.w.z. het kerkgezag om pastoors en onderpastoors te Blerick te benoemen, de stoffelijke en zedelijke belangen te behartigen.
Kleine Molenstraat: Tiendstraat. Cijns, 1/10 van het veldgewas, hetwelk vroeger algemeen als pacht werd betaald. Aan het einde van deze straat lag de Tiendschuur.
Groote Steegstraat: Steegstraat.
Kleine Steegstraat: Witheerenstraat. De Norbertijnen of Witheeren. zoo geheeten naar hun wit opperkleed. waren de kloosterlingen van Averbode, waaruit de pastoors te Blerick steeds tot aan de Fransche revolutie, werden benoemd.
Molenbosschen: Romeinenweg vanaf de Baarloschestraat tot aan het pand Nel. Het overige gedeelte van deze straat blijft dien naam behouden. Deze weg is een gedeelte van den ouden heirweg door de Romeinen aangelegd.
Panhuisstraat: Voorloopig te trekken bij de Nieuwborgstraat.
Begijnengang: Rutgerusgang. Prater Rutgerus was de eerst bekende pastoor van Blerick, afkomstig van de abdij van Averbode (Ao 1238).
Ruysstraat: te overwegen om de straat van dien naam te Venlo te veranderen in Ruys de Beerenbrouckstraat. Leden van het geslacht Ruys waren Heer van Blerick en bewoonden het kasteel Boerlo.
Mariastraat: Pastoor Goosensstraat. Thomas Goosens, afkomstig van Heijst op den Berg, overleden te Blerick 23 April 1837. Hij was laatste der pastoors van Averbode (1799-1837) en is bekend wegens zijn verzet tegen het invoeren van den keizerlijken catechismus van Napoleon.
Havenstraat: Victor de Stuersstraat.
Maasstraat: Helling.


Nieuwe Venlosche Courant, 29-10-1941

STADSNIEUWS Blericksche straatnamen

De nieuwe Blericksche straatnamen vormen in de laatste dagen voor velen een puzzle, wijl wel de namen van verschillende straten zijn ingevoerd, doch de aanwijzingen ontbreken en de oude straatnamen veelal onleesbaar zijn. Daarbij komt nog, dat de eene dienst zich met het adresseeren van stukken streng houdt aan de nieuwe straatnamen en de andere dienst niet in staat schijnt te zijn, de nieuwe straatnamen aan te brengen. Zoo was dezer dagen een groote consternatie omtrent de vraag, waar is de Van Stockhemstraat. Niemand had hier ooit van gehoord, totdat later bleek, dat de Kerkhofweg omgedoopt was in de Van Stockhemstraat. Voor het gemak van de bewoners van Blerick alsmede voor vele anderen laten wij hieronder nogmaals de gewijzigde straatnamen volgen. Hij of zij, die hiermede veel te maken hebben, adviseeren wij dit staatje uit te knippen en te bewaren.
Markt werd St. Antoniusplein.
Brugstraat werd Frederik Hendrikstr.
Schoolstraatje werd omgedoopt in St. Hubertusstraat.
Julianastraat in Van Bornestraat.
Broekstraat in Pepijnstraat.
Stationstraat in Graaf van Loonstraat.
Kl. Lambertusstraat in Maasveldstr.
Nieuwstraat in Schenck van Nydeggenstraat.
Spoorstr. in Fort St. Michielstraat.
Hoogeweg in Sebastiaansweg.
Kerkhofweg in Van Stockhemstraat.
Kranenveldweg in Van Boerlostraat.
Groote Molenstraat in Averbodestr.
Kl. Molenstraat in Tiendstraat.
Kl. Steegstraat in Witheerenstraat.
Begijnegang in Rutgerusgang.
De zuidelijke weg van de Molenbosschen in Romeinenweg.
Mariastraat in Pastoor Goosenstraat.
Havenstraat in Victor de Steursstraat.
De Maasstraat in De Helling, terwijl eveneens kwam te vervallen de benaming Groote voor de Lambertusstraat en de Steegstraat.
Men zal in het vervolg alleen spreken, van Lambertusstraat en Steegstraat.

Saturday, May 04, 2013

Voorlopig gaan we nooit meer terug naar Turkije

Het begon natuurlijk bijna vier jaar geleden met ons eerste bezoek aan Turkije: een normale vakantie van twee weken in een all-inclusive hotel in de buurt van Alanya. Wat de vakantie een beetje bijzonder maakte was Leonor's zwangerschap - toen bij vertrek ongeveer 25 weken. Onze aankomst in Turkije toen liep al niet helemaal lekker: Tiago en ik moesten een 90-dagen visum kopen (a 10 euro), maar Leonor moest apart naar het politie-bureau op het vliegveld voor een visum vanwege haar Kaapverdische nationaliteit (toen) en kreeg toen een visum a 110 euro (voor twee weken!). Vervolgens was de bus naar het hotel al vertrokken.

Enkele dagen voordat we weer terug zouden vliegen kreeg Leonor last van haar buik en werd na een opname in het ziekenhuis van Konya Alféu geboren; met 26 weken en enkele dagen veel te vroeg en hij moest langdurig worden beademd en uiteindelijk 3 maanden op de intensive care blijven. We zijn dus die hele periode in Turkije moeten blijven voordat Alféu in een vliegtuig mee naar Nederland mocht. Aan het ziekenhuispersoneel, aan de artsen Servet en Zeynel en de verpleegsters Nurcan en Berna en vele anderen van het Baskent ziekenhuis in Konya hebben we niets dan warme herinneringen. Helaas vormt de taalbarrière wel nog steeds een grote belemmering in de communicatie.

Bij vertrek uit Konya - met een ambulance-vlucht - werd ons door de autoriteiten op het vliegveld verteld dat het visum van Leonor was verlopen en dat we nog 150 euro boete moesten betalen. De betaling kon alleen in cash; zoveel had ik niet meer bij me en er was ook geen bank-automaat op het vliegveld van Konya. We zijn toen dus met die onbetaalde boete uit Konya vertrokken.

Gisteren zijn we vanuit Köln-Bonn vertrokken naar Antalya voor onze tweede vakantie in Turkije. Na vier visa te hebben gekocht (Leonor heeft nu de Nederlandse nationaliteit), werden we bij de paspoort-controle apart gehaald en weer naar de befaamde politie-post geleid. De Turkse autoriteiten scoren wat mij betreft niet heel hoog op het gebied van 'klantvriendelijkheid' en ze hebben ons vieren lang laten sappelen. Bijna niemand spreekt Engels of Duits of is bereid uitleg te geven. Uiteindelijk bleek dat Leonor een inreisverbod heeft voor vijf jaar en zij op een vliegtuig terug naar Duitsland zou worden gezet. Tiago, Alféu en ik mochten wel door naar onze all-inclusive bestemming. Ik heb voor ons drieën dus retour-ticket gekocht. De rest van de dag mochten we in een speciale kamer met een vrouwtje van 'security' de dag op het vliegveld doorbrengen. Aan het eind van de middag zijn we terug gevlogen naar Düsseldorf. Daar heeft een vriend ons opgehaald en zijn we naar Köln-Bonn gereden en daarna weer naar huis.

Onze Alféu is geboren in Turkije en mogelijk heeft hij ooit behoefte de plek te bezoeken waar hij is geboren, maar voorlopig is ons standpunt dat we nooit meer terug gaan naar Turkije.


E-MAIL AAN DE VOORMALIGE CONSUL IN ANKARA

4 mei 2013, 12:19

Subject: Aub advies inzake 'inreisverbod' Turkije

Beste Heer Corver,

In 2009 waren mijn vrouw en ik bij u op het consulaat in Ankara, omdat ons zoontje te vroeg geboren was (in Konya) en een noodpaspoort nodig had om terug te kunnen vliegen naar Nederland. Dit jaar wilden we onze vakantie weer eens doorbrengen in Turkije. Gisteren kwamen we met onze kinderen in Antalya aan, maar bleek dat Leonor een inreisverbod heeft voor 5 jaar. De reden moet wel zijn (werd ons verder niet mede gedeeld) dat haar visum toen (in 2009) twee weken geldig was en we pas na 3 maanden konden vertrekken uit het ziekenhuis.

De hele gang van zaken op het vliegveld was bijzonder onplezierig voor ons (m.n. ook voor onze twee kinderen, 3 en 6 jaar). Verder is onze vakantie kwijt en moest ik voor de kinderen en mijzelf extra retourtickets kopen om weer samen naar huis te kunnen vliegen.

Kunt u ons een advies geven waar ik hiermee het best terecht kan? Ik probeer ook de annuleringsverzekering aan te spreken, maar ben bang dat ik daar geen beroep op kan doen. Wat ons m.n. kwetst is het totale gebrek aan begrip bij de Turkse autoriteiten voor onze situatie. Als we in Turkije iets misdaan hadden en daarom niet het land in kunnen, dan is dat natuurlijk heel begrijpelijk. Maar er was geen enkele mogelijkheid om met iemand te spreken (in Engels, Duits of Nederlands) wat de achtergrond was en of daar nog iets aan te verhelpen was. Dit was ons tweede bezoek aan Turkije, weer zeer aangrijpend - ook voor onze kinderen - en ik denk dat dit ons allerlaatste bezoek aan Turkije is geweest.

Ik weet niet of u nog een functie heeft in Turkije; misschien kunt u mijn email doorsturen als iemand anders beter kan helpen bij een advies. Alvast hartelijk dank voor uw bemoeienis.

Met vriendelijke groeten,
Andreas Heuijerjans



REACTIE VAN DE VOORMALIGE CONSUL

4 mei 2013, 21:29

Ja ik herinner mij deze geboorteaangifte nog heel erg goed. Baby kon met behulp van een erkenning en LP [Laissez Passer, AH] alsnog na een behoorlijke tijd in "the middle of nowhere" uiteindelijk uit de couveuse en het land verlaten. Ik ben inmiidels sinds twee jaar Consul in Madrid maar stuur deze mail als info naar mijn opvolger. Of hij hier iets mee kan weet ik niet. Wellicht een briefje met uitleg naar de Turkse autoriteiten. Jammer dat dit zo moest gaan. Al de tweede negatieve ervaring met Turkije. Veel succes en sterkte toegewenst.

Hugo P. Corver
Consul Madrid



REACTIE VAN DE HUIDIGE CONSUL

6 mei 2013, 16:07

Dhr. Corver heeft mij uw bericht doorgestuurd en het is inderdaad een zeer vervelende situatie.

De Turkse autoriteiten zijn de eerst aangewezen instantie tot wie u zich zal moeten richten en het lijkt mij dan ook het beste om (schriftelijk) contact op te nemen met het Turkse Consulaat-Generaal in Rotterdam voor nadere uitleg. In het uiterste geval kunnen wij als Ambassade contact opnemen met het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken hier in Ankara om nadere informatie, daar is over het algemeen wel enige tijd mee gemoeid voordat een reactie wordt ontvangen.

Misschien is het handig om deze ambassade tevens een kopie te sturen van uw correspondentie met het Turkse-Consulaat generaal in Rotterdam.

Met vriendelijke groet,

Robert G. Selles
Eerste Ambassade Secretaris | Consulaire en Administratieve Zaken



BRIEF AAN DE TURKSE CONSUL-GENERAAL IN ROTTERDAM

To the Consul General Mr. Togan Oral
Turkish Consulate General
Westblaak 2
3012 KK Rotterdam

Copy: Mr. Robert G. Selles (Consul at the Dutch Embassy in Ankara)

Venlo, 7th May 2013

Dear Mr. Oral,

We had a very unpleasant experience a few days ago, when we wanted to enjoy a brief holiday in Alanya. To understand correctly what has happened, I must elaborate a little.

In 2009, my pregnant wife (25 weeks pregnant), our first son (then two years old) and I went to Turkey for the first time for a 14 day holiday. My wife then kept the Cape Verdean nationality and could not just buy a visa, but had to apply for one at the police office (at 110 euro's). After we got the document, our bus to the hotel had already left.

Halfway our holidays, my wife got a painful belly and after being hospitalized in Konya, she gave birth to our second son after 26 weeks of pregnancy. Our son had to be helped with mechanical ventilation amongst other medical treatments. The doctors, nurses and other staff of the Baskent hospital did excellent work for our son and we are very grateful; we also keep to this day several contacts via social media.

After three months our son was doing well enough to fly back to Holland and we got an ambulance flight. At the airport, the authorities told us that my wife's visa had expired (because that one was only given for 14 days), and we had to pay 150 euro's. I didn't have that much cash and no bank (ATM) was available at the airport. So we left Turkey with this fine unpaid.

Last Friday (3rd of May) we wanted to visit Turkey again for a holiday, but at the airport (after buying 4 visa), my wife was not allowed in and eventually it became clear that she cannot enter Turkey for 5 years. The way we (including our two children, now aged 3 and 6 years) were treated, was very disappointing: we had to stay/wait on the airport all day, no-one of the police wanted to hear from us what the background was, even did not speak German or English. There was no way to see if it could be explained and the remaining fine be paid. In the end I had to buy three tickets to fly back home as one family.

Now our holidays are completely lost and we have a very sad and disappointing feeling about Turkey, the country where our second son was born.

We really don't understand why we were treated in such a way and why this was necessary. We would like to know from you if you think we should blame ourselves for what has happened, or if this could also have been solved in a more polite and respectful manner.

Regards,
Andreas Heuijerjans



REACTIE VAN HET TURKS CONSULAAT-GENERAAL

10 mei 2013, 17:10

Geachte De heer Heuijerjans,

Om te beginnen betuigen wij het zeer spijtig te vinden dat u in Turkije slechte ervaringen heeft beleefd.

Om een visum te verkrijgen moeten de algemene regels wat in dit geval geldt voor Cape Verde paspoort houders gehandhaaft worden.

Cape Verde paspoort houders met een geldig visum of een verblijfsvergunning van een Schengen- of OECD lid land kunnen een single entry visum krijgen met geldigheid van een maand. Dit op voorwaarde dat ze uitsluitend met Turkish Airlines naar Istanbul Atatürk Airport vliegen. Indien ze met een andere maatschappij willen reizen,ze dienen zij naar het Turkse Consulaat in Rotterdam toe komen voor een visumaanvraag voor vertrek van Nederland.

De reizigers dienen met de geldigheid van de visum rekenig te houden. Door de aankomst en vertrek data te berekenen kan de totale verblijfsduur in het land achterhaald worden. In geval van ziekte, ongeval endergelijken tijdens het verblijf in Turkije, kan men met een schriftelijk bewijs bij de lokale politiebureau terecht om de datum van de visum te verlengen. Anders kunnen de douane ambtenaren de wettelijk vastgestelde maatregelen nemen zoals een geldboete of een toegangsverbod opleggen. Indien er een verbod is opgelegd, kan men deze op laten heffen bij het Turkse Consulaat Generaal in het land waar ze woonachtig zijn.

Indien uw partner het verbod wilt laten opheffen, dient zij persoonlijk naar het Consulaat in Rotterdam toe te komen met een geldig paspoort en een pasfoto. Wij zijn geopend van maandag tot en met vrijdag van 8.30 tot 12.00 uur. Zodat wij inzake het verbod naar de bevoegde autoriteiten in Turkije kunnen communiceren. De uitslag hiervan zal naar uw partner worden bericht.

Nogmaals willen wij aangeven het zeer te betreuren dat u deze ervaringen hebben meegemaakt.

Met vriendelijke groeten,
Kartvizit KONS


Monday, February 25, 2013

Archibald Lyall: "Black and White Make Brown" (1938) - two reviews



Review by: S. F. D.
Journal of the Royal African Society, Vol. 38, No. 150 (Jan., 1939), pp. 189-191

Black and White Make Brown. By Archibald Lyall. (Heinemann, 18s.)
THERE is always something attractive about the description of places which are seldom visited and little known. The Cape Verde Islands and Portuguese Guinea, which form the subject matter of this book, are "off the map" for most of the civilised world; and since Dakar and Las Palmas have replaced St. Vincent as fuelling stations for ships en route to South America the islands are rarely visited except by Portuguese vessels which call at irregular intervals.
It is a pathetic story the author has to tell, a story in keeping with the gloomy scenery of the island of St. Vincent, which is described as "a petrified thunderstorm of a landscape." From the sixteenth to the eighteenth century the islands were a collecting station for the slave trade; and, by reason of this evil traffic they flourished as the bay tree. Ships from the Portuguese possessions in India and the Spice Islands called there en route to Lisbon, at one time the richest city of the world. Even Sir Francis Drake paid tribute to the im- portance of the Islands by sacking their principal city.
The present population of 150,000 is crowded on to 1500 square miles of land, most of which is barren and precipitous rock. Dependent for their crops on a few fertile valleys and a precarious rainfall, the people live in continual dread of famine. Between 1903 and 192o, four serious famines occurred; and in the latter year 30,000 people are said to have died from starvation. The vegetation and forest which once clothed the sides of the valleys have succumbed to the ubiquitous goat and the inevitable erosion has followed to intensify the danger of food shortage and famine.
The people, mainly of mixed African and European blood, are known as Creoles, a term which in the West Indies is used in the contrary sense of a white person born in the islands. The author describes them as idle, miserably poor and riddled with every kind of disease, but withal, hospitable and kindly and endowed with the gifts of poetry and dancing which they indulge to the full to relieve the monotony of their existence.
The infant mortality of the islands is estimated at 50 per cent., and the women have a hard life. "If a woman, a man, a horse and a load have to come up a hill, the man rides the horse and the woman carries the load."
But, though the glory has departed, here and there among these gloomy abodes can be found cases of dazzling beauty. Nova Cintra, on the Island of Brava, has evoked from the author the following description: "It is not a city with a lot of little gardens in it. It is a garden with a lot of little houses in it; an enchanted garden hanging by invisible cords from the clouds."
There seems little future for these unfortunate islanders. Emigration to America no longer provides the means of restoring fallen fortunes; and the people seem too apathetic to take up trading and clerical work on the mainland of West Africa. One may venture to hope that the Portuguese Government in its projected programme of colonial development will not overlook the claims of the Cape Verde islanders who have fallen on evil times through no fault of their own.
In Portuguese Guinea, which the author describes in the latter part of the book, little-known natives of the Bissagos Islands present many features of interest, and appear to have affinities with the Bushmen of South Africa. Until a few years ago they had maintained their independence and refused to have anything to do with civilization.
A ferocious Boadicea of a queen named Pampa reputed to have weighed 25 stones, may have contributed to the repulse of the Portuguese advances. Be this as it may, the final subjugation of the Bissagos islanders was not achieved until 1936. They are described as completely indifferent to death, as they believe in early reincarnation. Though primitive and backward in other respects they excel in the carving of wooden ornaments, in mural decoration and in furniture making. Further information about this interesting people would have added materially to the value of the book.
The author does not agree with the Portuguese belief that the larger the population of "assimilates" the more secure will be their authority. He considers that the educated "Creoles" in their secret hearts hate the whites; and that, if ever an anti-European movement arises in West Africa, the half-castes will be at the head of it. A thoroughly interesting and readable book.

S. F. D.
Review by: A. Z. C.
The Geographical Journal, Vol. 92, No. 2 (Aug., 1938), p. 170

BLACK AND WHITE MAKE BROWN: an account of a journey to the Cape Verde Islands and Portuguese Guinea. By Archibald Lyall. London: William Heinemann, 1938. 9 x 5,5 inches; x + 304 pages; illustrations and maps. 18s.
This is not Mr. Lyall's first travel book, but undoubtedly it is the most interesting. He spent several months in the Portuguese colonies of Cape Verde and Guinea, during which he saw all that was possible with the means of transport at his disposal. He has not however seen every thing he writes about, as, for instance, in his story of a dead donkey in a Lisbon reservoir.
Although many books in other languages have been written about these colonies, the author claims that they are still little known. His book, nevertheless, is the most comprehensive, and possesses a topical interest in view of the strate- gical importance of the Cape Verde Islands and the rumours current about the state of affairs in the Bissagos Islands. Mr. Lyall visited the whole archi- pelago, and stayed three weeks in Bubaque Island, enjoying the hospitality of the German Company which runs the important palm-oil factory there. From what he has seen he dismisses as untrue the stories that "Bubaque is full of oil stores for aeroplanes, submarines and surface ships," and that "the authority of Lisbon and its control have become practically non-existent" in the archipelago.
Almost all the Cape Verde Islands and the whole of Guinea were visited by him, and he gives a colourful picture of life and nature as he saw them. His remarks on the native poetry of the Cape Verde Islands and the artistic skill of the Nalus and Bissagos wood sculptors, in Guinea, are very interesting indeed. The two colonies are studied in all their aspects, and praise is bestowed upon the Portuguese colonial administration.
With the exception perhaps of the two first chapters, the whole book is fascinating; there are however a few slips. Pedro Nunes is described as "astronomer, cosmographer and mathematician of Prince Henry the Navigator" (p. 19). Prince Henry died in 1460 and Pedro Nunes was born in 1502. "Prince Henry's brother, Dom Pedro, brought him from Venice... the portolan of Sanuto and Dulcert..., the famous Laurentian portolan..., the Catalan Atlas and many rare Venetian maps..." (p. 19). So far as it is known, D. Pedro brought from Venice only one map, lost long ago and about which nothing positive is known. Prince Henry did not live in the houses or hear Mass in the chapel now existing in Sagres (p. 23). They were built much later, after his death. The highest peak in the Portuguese Empire is not in Fogo Island (2829 m.) but Tata Mailau (2920 m.) in Portuguese Timor. The Guinea "chabeu" is not "the red-brown oil of the little palm-nuts, which would, if they were left on the trees, one day grow into coconuts" (p. 202). The palm in question is the oil palm (Elaeis Guineensis), not the coconut palm (Cocus nucifera). The former is a native plant of Guinea and the latter an introduced one.
The reviewer, who has visited the Cape Verde Islands and Guinea several times, and is acquainted with most of what has been published on these colonies, knows of no more readable and stimulating book than this. It deserves to be appreciated by those interested in colonial life and the literature of travel.

A. Z. C.

Monday, December 31, 2012

Vertigo (1958), Hotel Vertigo (2012) & Sans Soleil (1983)

Vertigo (1958), Alfred Hitchcock
Sans Soleil (1983), Chris Marker

HOTEL VERTIGO (Kees 't Hart)

Kees 't Hart heeft met 'Hotel Vertigo' een erg mooi boek geschreven - een ode aan Hitchcock - en is ook helemaal geschreven in de stijl van Hitchcock. Het is vooral een spannend verhaal, tot de ontknoping aan het einde toe. Vertigo is één van mijn favoriete Hitchcock's, ook één van mijn favoriete films überhaupt, om meerdere redenen. De fantastische beelden van de authentieke locaties in San Francisco en m.n. de muziek (van Bernard Herrmann) zijn nog steeds een bijzondere sensatie, maar ook een bijzonder mooie Kim Novak ('bra-less'), de eeuwenoude sequoia's die de hele geschiedenis kennen, Coit Tower als fallussymbool, de Golden Gate Bridge, de Mission Dolores. Nadat ik 'Hotel Vertigo' uit had heb ik Vertigo nog eens bekeken, en wel de gerestaureerde versie (in HD): die is toch wel bijzonder fraai ( m.u.v. enkele slecht belichte scenes, die het in HD niet goed doen).
Ook het voor filmliefhebbers interessante 'interviewboek' van François Truffaut met Alfred Hitchcock heb ik nog maar eens nageslagen. Hitchcock's grootste fout (volgens eigen zeggen) was dat de rol van Scottie te oud 'gecast' was: James Stewart (50) vs Kim Novak (24). Nu eindigt Vertigo in veel filmlijstjes heel hoog.



SAUL BASS
Eerst nog even over de boekomslag: die komt rechtstreeks van de filmposter die door Saul Bass is ontworpen. Hij deed vaak het grafisch werk voor Hitchcock en heeft ook de mooie intro van Vertigo gemaakt. In 1981, ik had Vertigo toen nog nooit gezien, maakte ik de tekening hieronder over mijn hoogtevrees (Toon van de Ven, mijn tekenleraar, gaf me er een 8+ voor). Misschien is het wat ver gezocht, maar ik zie wel wat verwantschap tussen Saul Bass' Vertigo en mijn tekening:


SPOOF
In 'imdb' kon ik niets over deze 'spoof' vinden, maar persoonlijk vind ik dit het meest storende deel van Vertigo: Madelaine verdwijnt in het hotel, maar deze verdwijning blijft onverklaard en past ook niet in het verhaal. Ik denk dat Hitchcock hiermee enkel het mysterie en de spanning heeft willen opvoeren. Ik kan dit deel tenminste niet anders begrijpen.

SANS SOLEIL
Chris Marker's alter ego Sandor Krasna zag Vertigo 17 keer. In Sans Soleil (een andere film uit mijn persoonlijke top-10) volgt hij Scottie's weg en bezoekt alle locaties in San Francisco - ze waren allemaal authentiek. Het hotel waarin Madeleine verdween, was nu zelf verdwenen.
In het reis-essay Sans Soleil is deze pelgrimage naar Vertigo een verhaal in de zijlijn: de belangrijkste verhaallijn van Sans Soleil wordt onder hypnotiserende muziek getoond - elementen uit de Afrikaanse en Japanse cultuur worden met elkaar verbonden. Soms mis je de overgang van de beelden, hetgeen toch wel verrassend is bij twee zo verschillende culturen.
De Afrikaanse beelden komen m.n. uit Guiné Buissau en de Kaapverdische Eilanden. Er zijn beelden van het begin van de opstand tegen de Portugese koloniale overheersing: die strijd is vooral in Guiné Buissau gevoerd, onder leiding van Amílcar Cabral (hij bracht een deel van zijn jeugd door op de Kaapverdische Eilanden, vlakbij Leonor's thuis; haar vader heeft als jongetje nog met hem gevoetbald). Amílcar Cabral is nog steeds de onomstreden grote held van de Kaapverdische Eilanden.
Toen ik de film midden jaren '80 voor het eerst zag (op de Duitse TV), was ik meteen onder de indruk. De video heb daarna vele jaren gekoesterd en vaak opnieuw gezien. Recentelijk heb ik de film op DVD kunnen bemachtigen, helaas niet met de Duitse vertelster.

NACHTMERRIE
De sleutelscene in Vertigo wordt gevormd door Scottie's nachtmerrie: hier gaat het eerste deel van het verhaal over in het tweede. Al doet de scene nu misschien wat gedateerd aan, Herrmann's muziek in combinatie met de hallucinatorische beelden zijn voor mij nog steeds erg overtuigend. De scene is op youtube te zien, maar ik zou je aanraden toch de hele film te zien.

Sunday, January 29, 2012

Georg Naporra bezoekt de Kaapverdische Eilanden (1752)


Uit: Roelof van Gelder, Naporra's omweg, Het Leven van een VOC-Matroos (1731-1793), 2003
ISBN: ISBN 90 450 0698 7 (Uitgeverij Atlas)


Historicus Roelof van Gelder deed een vondst: de autobiografie van Georg Naporra (1731-1793), een boerenzoon uit Oost-Pruisen, die na zijn schooltijd en een reeks mislukte baantjes als koopmansknecht en lakei, aanmonsterde bij de VOC. Nadat Naporra vier helse jaren als matroos in Azië had gevaren, keerde hij terug naar Europa en deed hij op papier verslag van zijn rusteloze leven.

Dankzij Naporra's verhaal - 250 jaar geleden geschreven en nooit eerder bestudeerd - en uitvoerig archiefonderzoek in Nederland, Duitsland en Polen heeft Van Gelder Georg Naporra weer tot leven weten te wekken. Hij reconstrueerde diens milieu en denkwereld, achterhaalde de levensloop van tientallen mensen met wie Naporra omging en geeft met deze biografie een inzicht in de onderkant van de vroegmoderne samenleving van Europa.

Georg Naporra doet uitgebreid verslag van zijn verblijf op de Kaapverdische Eilandenden. Vergelijk ook het verslag van Jean François Michel, die tegelijkertijd daar was.

Dank aan Roelof van Gelder voor het verlenen van toestemming om 'Hoofdstuk 12: São Tiago' hier integraal te publiceren.

"Serbische Bohnensuppe" van Mam


Doe wat boter in de pan en bak daarin 1 grote ui en 1 of 2 bakjes spek.
Voeg daarna 2 klein gesneden prei, 2 klein gesneden rode paprika's en 2 in schijven gesneden kookworsten toe.

Maak in een grote ketel 2 potten witte bonen in tomatensaus en 2 liter tomatensap (liever geen te zoute tomatensap gebruiken) warm. Voor smaak aromat of 2 goud-bouillonblokjes toevoegen, verder sambal naar wens toevoegen.

Doe de inhoud van de pan in de ketel en laat het geheel ca 10m doorkoken.

Monday, January 16, 2012

Tiago - De Kunstenaar

26 Januari 2012: De Ballenloper, door Tiago (5)

6 November 2011: Mama & Papa, door Tiago (5)

Voorjaar 2011: "Carnal met Mastor", door Tiago (4)

15 mei 2010: Kunstenaar (3) misbruikt planbord in VieCuri Venlo

De kunstenaar aan het werk:





De kunstenaar is tevreden:


Monday, February 07, 2011

Aankoop huis/hof door 'Willem Heuerjan' (ca.1751)

[Met dank aan Jan Hanssen (Baarlo) - uit zijn aantekekingen]

"z.d. [1751]
Jan Prechters geassisteerd met zijn meerderjarige zoon Ghiel Prechters en met toestemming van zijn dochter Maria, verkoopt aan Willem Heuerjan een huis en hof c.a. gelegen [te Heythuysen] op de Creppel, groot een bunder, en reeds belast t.b.v. Dirck Hudders alias op gen Roeij, op voorwaarde dat hij er de rest van zijn leven mag blijven wonen het land mag blijven gebruiken, voor 237 gl. 10 st. De verkoper heeft hiervan reeds 112 gl. 10 sts. Ontvangen en aan de pastoor is hiervan t.b.v. de Armen 25 gl. betaald. De rest van het geld zal binnen het jaar betaald worden.
De verkoper moet wel nog de volmacht van zijn, in het buitenland verblijvende, zoon laten zien."
(RHCL, Archief Land van Horn inv.nr. 342, fol. 6verso)





Mogelijk gaat het om het volgende perceel:

(Archief gemeente Heythusyen, eind 18e eeuw)

Sunday, January 09, 2011

Herkomst van de naam 'Heuijerjans' (en ook: 'Huijerjans')

Inleiding

Enige tijd ben ik bezig geweest met het zoeken naar de bron van onze familie en onze familienaam. Het zoeken naar de oorsprong van onze familie heeft ons [1] consequent naar Heythuysen gebracht. Voor zover te overzien, zijn allen die nu de naam Heuijerjans dragen afstammelingen van Wilhelmus Heuijerjans, die 1747 in Heythuysen de eerste keer huwde; nadat zijn eerste vrouw was overleden, huwde hij in 1761 voor de tweede keer. Uit dat huwelijk komen wij allemaal voort via zijn zoon Simon. Waar deze Wilhelmus (ook wel 'Willem' of 'Guillaume') vandaan komt is niet duidelijk. Uit de oudste aktes (m.n. de geboorteaktes van zijn kinderen) blijkt dat hij uit 'Birrick' ('ex Birrick') komt. Of hiermee het Duitse plaatsje Birk (bij Herzogenrath) wordt bedoeld of het gehucht 'Birkenbosh' in Heythuysen zelf, weten we niet.

Motivatie

Over de mogelijke betekenissen van onze achternaam wil ik hier verder uitweiden. Sommige zullen enigszins exotisch aandoen, maar het lijkt me zinvol alle gedachtenspinsels toch maar vast te leggen zodat mogelijk aanknopingspunten sneller kunnen worden opgepakt.

Schrijfwijzen

Op dit moment hebben we ook familieleden die hun achternaam anders spellen [2]. Voor mijzelf is Heuijerjans als schrijfwijze de norm, dus niet met een y. In m.n. de 19e eeuw werd onze naam echter op tal van manieren geschreven. Zo zien we Högerjan, Heugerjan, Huyerjan, Huijerjan, Huyerjans, Heijerjans, etc. In de regel wordt onze naam wel altijd met de uitgang ...jan of ...jans geschreven en niet met ...man of ...mans [3].

Högerjan

De oudste schrijfwijze van onze naam is Högerjan. Omdat het de oudste schrijfwijze is, staat deze historisch ook het dichtst bij onze 'echte' familienaam; hiermee bedoel ik de betekenis van den de naam die een van onze voorvaderen is gaan gebruiken. Het zou best mogelijk zijn dat Högerjan die betekenisvolle naam is, maar dat voor ons nu die betekenis niet meer duidelijk is. De ö lijkt op een Duitse afstamming te duiden, maar buiten de plaatsnaam Birk hebben we daar geen aanwijzingen voor. De afleiding Högerjan -> Heugerjan -> Heuijerjan -> Heuijerjans lijkt wel een logische.

Huyers

Een korte anekdote: midden jaren negentig was ik voor mijn werk bij een klant in Alphen aan de Rijn, de sociale werkvoorziening aldaar. 's Avonds na kantoortijd probeerde een collega mij daar telefonisch te bereiken. De blinde directeur nam 's avonds de functie van telefoniste waar en kwam een beetje verward vragen of er een Heuijerjans aanwezig was. Hij was in de veronderstelling dat het telefoontje voor hemzelf bedoeld was, aangezien hij Jan Huyers heet. E.e.a. leidde tot een gesprek over de herkomst van onze namen. De Huyers' zijn blijkbaar de nazaten van Hugenoten, die uit Frankrijk via België zijn gevlucht naar Nederland. In België verbleven ze in de Waalse plaats Huy. De mensen zijn zich gaan noemen naar die plaats. In zijn familie komt de voornaam Jan veel voor hetgeen mij op het idee bracht dat wij mogelijk ook van Huy komen: Huy + Jan = Huyerjan [4].

Van Heur

Voor mijn werk regelmatig op de autosnelweg, is me een keer een vrachtauto uit Weert bijgebleven: de bedrijfsnaam was Van Heur. De betekenis ligt voor de hand: iemand uit Horn noem je in dialect Van Heur. Hoe zou je nu Jan uit Horn noemen? Jan van Heur of Heurerjan of zoiets, dat zou kunnen verbasteren tot Heuerjan. Ook dat levert dus praktisch onze familienaam op en het verwonderde dat we dat nog niet eerder bedacht hadden. Horn en Heythuysen liggen niet ver van elkaar het verklaart waarom onze naam zo vreemd aandoet en steeds anders geschreven wordt.

Hoyer/Heuer

De mogelijke link met Duitsland doet ook gissen naar een mogelijke betekenis in het Duits en verwantschap met bestaande Duitse namen. Een naam die veel lijkt op de onze is Hoyer (o.a. Hamburgs expeditiebedrijf) of Heuer (o.a. Zwitsers horlogemerk).

Van den Heuij / Den Huij / Van den Huij

Bij het Meertens Instituut wordt bij onze naam een link gelegd met de naam Van den Heuij, die blijkbaar uit Oost-Brabant (land van Cuijk) komt. Deze naam lijkt ook weer verwantschap te tonen Huyers. Volgens het Meertens Instituut is deze relatie puur op basis van 'spellingsovereenkomsten' gelegd. Maar ook hier dus nog verder onderzoek mogelijk zijn. Net onder Cuijk ligt het plaatsje Huij:

Heuermann

Indien de herkomst van onze naam naar Duitsland leidt, dan is een link met de naam 'Heuermann' wel aannemelijk. Een uitgebreide uitleg over wat 'Heuerleute' zijn is hier te vinden. Samengevat: het zijn mensen die op boerderijen meehelpen met allerlei werkzaamheden. Ze slapen vaak in de schuren en trekken van boerderij naar boerderij - afhankelijk van waar werk beschikbaar is. De 'Heuerleute' vormen een groep die zich onder de boerenstand bevindt. De naam 'Heuermann' komt ook tegenwoordig nog veel voor.

Birrick (1)

In de twee oudste documenten die we kennen (uit 1747 en 1748) betreffende onze familie, staat dat 'Guilielmus Högerjan' resp. 'Guilielmi Hogerjan' afkomstig is uit 'Birrick' ("ex Birrick"). Dit is de meest concrete aanwijzing betreffende zijn herkomst. Een ander interessant gegeven is de bijzondere voornaam van zijn eerste kind: 'Winocus'. Dit lijkt een niet veel voorkomende voornaam.

Birrick (2): Lohmar/Birk

In Duitsland zijn verschillende plaatsen die 'Birk' heten, wat overeen zou kunnen komen met 'Birrick'. Niet heel ver vanuit Midden-Limburg ligt Birk, stadsdeel van Lohmar.

Birrick (3): Büderich (Wesel)

De oude naam van Büderich (Wesel) is 'Burick'. Ook dit is een mogelijke verbastering van 'Birrick'.

Noten

[1]: In eerste instantie is het m.n. Ome Teun (Anton Heuijerjans 1924-1990) geweest die zich met het genealogisch onderzoek heeft beziggehouden. Begin jaren tachtig ben ik ook geinteresseerd geraakt en ben enkele keren in Heythuysen en Maastricht geweest. Daarbij zijn ook Ome Jan en mijn vader betrokken geweest.

[2]: M.n. Huyerjans???

[3]: Mogelijk gaat dit tegenwoordig vaak fout vanwege bekendheid van namen als Heijmans en Heijermans. Misschien was dit vroeger anders?

[4]: Mijn vader heeft in de jaren tachtig ook al eens op de mogelijke verwantschap met de plaats Huy gewezen. Helaas hebben we verder geen aanwijzingen die deze hypothese ondersteunen.

Tuesday, August 10, 2010

André Álvares de Almada: "Brief Treatise on the Rivers of Guinea" (c.1594)

'Brief Treatise on the Rivers of Guinea' (c.1594) by André Álvares de Almada1 is republished now. The full text is also available at the University of Wisconsin Digital Collection. The copy I am using for the transcription is offered me by the Library of the University of Liverpool, to be used for republishing this text and with friendly permission of Mrs. Hair, professor P.E.H. Hair's widow.
The first part ('Translated text') is available via a printed book or downloadable pdf (Lulu.com) - which I hope will be a much more pleasantly readable format than the available scans are now. Later I will also make the second part ('Notes') available in a separate publication.


Andreas Heuijerjans, 2010

1Brief biography of André Álvares de Almada (Portuguese) by Jorge Brito
INTRODUCTION
The present edition
This is a makeshift version of an edition of André Álvares de Almada's Tratado breve dos Rios de Guiné do Cabo Verde (c.1595) planned by Avelino Teixeira da Mota but incomplete when he died in 1982. It consists of an English translation of the Portuguese text, and extensive annotation on the Senegambia and Sierra Leone sections of the account. The circumstances in which the work was planned I have described in a note in History in Africa (1982); and Teixeira da Mota gave an account of his long initial preparations for the series of editions of Portuguese texts on Guinea he planned, in his introduction to the first volume of the series, the tri-lingual edition of Donelha's Relaçao, published in 1977. To the Almada edition Teixeira da Mota would have contributed annotation on the Central section of the coast (Casamanse-Cape Verga), as well as a learned introduction on Álvares de Almada and the manuscripts and editions of his account. Now all we have on the subject of Almada from this outstanding and greatly respected Portuguese scholar is a sketch of Almada's life and achievement in a 1970 article, and a few pages of analysis of Almada's account in the course of the introduction to the Donelha edition. I quote from these below.
It was intended that, like the Donelha edition, the Almada edition should present the Portuguese text and, in separate volumes, translation and annotation in English, and translation and annotation in French. It is hoped that it will eventually prove possible for such an edition to be completed and that it can be published by the Centro de Estudos de Cartografia Antiga in Lisbon, the organisation of which Teixeira da Mota was director and under whose flag he published; and I am indebted to the present Director, Professor Luis de Albuquerque, for the sympathetic discussions he has had with me on the matter. However, it seemed wrong to deny scholars, for a further period of years, material which has been ready since 1975. Hence this interim and makeshift version. An incomplete edition, it has also been reproduced by the cheapest methods and has many consequent defects as a piece of reading matter. But it should still prove of some use to those scholars researching on the earlier history of the western Guinea coast into whose hands it falls.

Teixeira da Mota on Álvares de Almada
"Little is known about the life of André Álvares de Almada. His father, Cipriano Álvares de Almada, was an energetic commander (capitão) on Santiago Island. André was born there, and in 1599 was awarded the Habit of the Order of Christ for valiant services in the defence of the island against the assault of foreign enemy. At an earlier date, in 1581, he had travelled to Portugal and Spain on behalf of the island's inhabitants, in order to seek permission for them to settle in Sierra Leone, a permission which was refused because of the fear that the island would thereafter be totally abandoned. He made a number of voyages to the mainland of Guinea, especially in the 1570s, and he was still alive in 1603. He was twice married, and his descendants married into the leading families of the island. At least one son was well acquainted with the coast and waterways of Guinea, and is on record as claiming to hold the office of Captain of Cacheu." ('Dois escritores quinhentistas de Cabo Verde', pp.18-19).
"Donelha was in Guinea in roughly the same period as was André Álvares de Almada. Almada began his voyages to Guinea a little earlier, and he wrote one recension of his Tratado a little later, in 1594. He must have been born, however, some years before Donelha. Since they both lived on the Cape Verde Islands between the 1560s and the 1590s they almost certainly knew each other. It is possible that Donelha saw one of Almada's manuscripts, but we have not noted in Donelha's account any indication of borrowing. Since their acquaintance with Guinea covered the same period, it is not surprising that their writings contain a certain amount of common information. For instance, out of 99 toponyms in Donelha's account, 55 are also found in Almada's text (which contains a total of 148 toponyms). The more important natural features of the coast (e.g. Cape Verde, Serra Leoa) tend to be represented by toponyms common to both works. But for certain areas of the coast, there are differences in the toponyms which indicate that Donelha did not make use of Almada's writings. Thus, out of 34 toponyms which Donelha records for the Gambia district, only 6 are given by Almada (who records 17 altogether). The score of the two writers for the Beafada district is 14 to 6, and for Sierra Leone 16 to 10 ... If we compare ethnonyms, Donelha records 40, Almada 37, and 23 are recorded by both ... Turning to African personal names, Donelha again does better than Almada, with 28 against 22, and only 10 in common. But if we count terms for titles of chiefs or social groups, Almada records 22, Donelha only 15, with 7 in common; and if we compare vernacular terms for physical objects, Almada records 25, Donelha only 10, with 5 in common. Almada is undoubtedly the richer source in references to commerce, particularly in the enumeration of products and trade-goods. Almada is also fuller with regard to ethnographic information, which he supplies in more detail and in relation to a wider area ... However, when it comes to the fauna, Donelha is the fuller source, since he specifies 39 items (giving vernacular names for 7), while Almada only mentions 11 (giving vernacular names for 5), of which 7 are in common. To a lesser extent, Donelha has the advantage with regard to the flora, giving the names of 35 items (including 25 vernacular terms), as compared with Almada's 29 (19 vernacular terms), of which 16 are in common." (Donelha, Descrição, pp.35, 49-50).

Almada's account of western Guinea
André Álvares de Almada was born in the Cape Verde Islands (= CVI), apparently c. 1550. The islands had been settled for almost a century. Almada's family was relatively well-to-do and therefore slave-owning. The islands are still today in general somewhat arid and offer few economic opportunities; hence a thin population of pioneering Portuguese settlers was soon outnumbered by African slaves and freedmen descendants, often of mixed extraction. The Almada family, like many others, made a living in part by trading to the mainland; and André's maternal grandmother appears to have been black. Thus, Almada was a member of an Afro-Portuguese society which, despite its claim to be merely 'Portuguese', had already generated a Luso-African group and was well placed to act as an intermediary between European and African cultures.

According to his own account, Almada was involved in trading to various points of the mainland between at least the 1560s and the 1580s. Mainly he seems to have traded in the 'Rivers of Guinea', that is, on the section of the West African coast between the Gambia River and the Sierra Leone River; but he also occasionally traded further North, on the Senegal coast, where the island traders were rapidly losing out to a combination of Luso-Africans, run-away Portuguese Jews, and non-Portuguese European shippers. As a patriot, but one who seemingly had no misgivings about the Philippine take-over of the Portuguese crown, Almada expressed horror at the decline of Portuguese influence caused by non-Iberian aggression, referring both to the situation in Senegal and to the distress in the islands caused by various Anglo-French assaults after 1580. The purpose of Almada's account seems to have been the common one of Iberian pamphleteers in the period, that of offering advice to the Crown on ways of stemming Iberian decline. Almada's account includes many references to the hostile activities - as he saw them - of the French and English, and to the need for the Portuguese to establish new bases on the Guinea mainland. While his loyalty to the Philippine regime and his Portuguese patriotism may have been very real, it must be remembered that he dedicated his account to the Crown's governors in Portugal and perhaps hoped that it would reach the monarch himself. There are good reasons why the CVI trading community must have had reservations about its marginal role in the trading system imposed by the metropolis and why it often took a more relaxed view of foreign traders, 'enemies' and 'heretics' though they might be. But we find nothing of this in Almada's account. Yet his loyalist stance may have been ineffective as far as the account was concerned. It was not published in his lifetime and it is conceivable that one reason was the reluctance of the authorities to have details of the Guinea coast publicised, lest foreigners be encouraged to trade there.

Almada's account is thus discreet about the European aspect of CVI culture and activities, not least the political element - the rivalries between metropolis and imperial periphery, the rivalries within the state, within the church, and between the two, the rivalries within the local government of the CVI. But it makes up for this by being outstandingly informative about the African aspect - the role of the CVI in the coastal economy, and the shape of the mainland societies with which the islanders were in contact. Being a trader, Almada first provides information about the commercial aspects of the European interaction with African trading networks, and hence about the internal economies of the African peoples involved. Since these commercial relations were conducted by means of fairly close contacts with at least the ruling orders, Almada further describes the political structures and rivalries among these African peoples- Finally, since the CVI traders regularly formed settlements on the mainland, temporary or permanent, individual or communal, informal or formal, legal or illegal, Almada is able to supply fairly detailed information on local African ethnography, including material culture and social structure.
Almada's information about the peoples of the western Guinea coast derived partly from personal experience and observation (and is therefore to be dated to the period 1560-1590) and partly from the accumulated experience and common knowledge of the CVI trading community (and may therefore be sometimes of earlier date). The balance between the two is difficult to judge. What is certain, and very important, is that Almada supplies information which may be described as entirely original - in the sense that there is hardly a trace in his account of material derived from earlier written sources, that is, in the main earlier printed sources. In this respect Almada is sharply distinguished from the vast majority of writers on Guinea between 1440 and 1800, these having borrowed heavily (and often unthinkingly and inaccurately) from their predecessors - in the case of later writers, especially from Almada. Almada's information may not be always correct, or comprehensive, or contextually sound, or free from a Eurocentric or other bias, but it is always fresh and undiluted by bibliographical pretension. He seems to have read no earlier accounts. Thus, as an original source on early Guinea Almada ranks with Cadamosto, and towers above virtually every other writer; and the region is fortunate to have been described by two Europeans possessing such relatively uncluttered minds. This is not the place to attempt a detailed assessment of Almada's achievement, his outstanding contribution to our knowledge of the past of western Guinea. It must be sufficient to say that he is almost certainly the most important single source for the period before 1800, the claim being made for several reasons. First, because, unlike Cadamosto, Almada covers almost the whole stretch of the coast between Cape Verde and the Shoals of St. Ann. Secondly, because the sharp detail of his ethnographic description is impressive. And thirdly, because his account, unlike Donelha's, very greatly influenced later writers -though not always soundly. It is this third point I now discuss.
Almada's account was not published in his lifetime. As a separate full-length account by a named author it only appeared in print in 1733; and not until the 1840s was it fully in print and available, to any extent, in translation for non-Lusophone scholars. Nevertheless it exercised a profound influence on the developing historiography of West Africa. This came about because a manuscript copy of the text fell into the hands of the Jesuits when in 1604 they founded a mission station on the CVI and proposed to missionarise western Guinea. A copy or a summary was sent to Portugal, and in 1605, Father Fernão Guerreiro, preparing an edition of letters from Portuguese missionaries worldwide, with chapters on the newly-founded Cape Verde mission, included a chapter summarising Almada's ethnographic information. To put it simply, this chapter listed the ethnolinguistic units along the coast, giving them the names which in most cases have continued to be used up to the present day. Before Almada wrote, the fullest ethnographic information on this section of the Guinea coast was in the writings c.1500 of Duarte Pacheco Pereira and Valentim Fernandes, but these remained inaccessible in manuscript until the nineteenth century. Almada's ethnographic information was thus a revelation to contemporaries, even in the dredged-up form in which it appeared in the Jesuit publication. Moreover, the Jesuit publication was soon available, so that by 1625 a summary of the summary, translated from Latin, appeared even in English (in Purchas). The Jesuits did not name the author of the ethnographic material, and André Álvares de Almada was forgotten for some centuries. But the ethnographic information from his account, transmitted via Guerreira, echoes through almost all the writings on West Africa between 1605 and 1800, for instance, the compilations in French of Davity (1660), in Dutch of Dapper (1668), in English of Barbot (1732). Failure to sort out the Almada borrowings embedded in very much later sources, so that information on the sixteenth century is uncritically applied to the seventeenth, eighteenth or even nineteenth century, has been a regrettable feature of much of the recent historiography of West Africa.

Texts, editions and translations
No manuscript of the accounts written by Almada himself is now extant. According to a reliable contemporary source, an original manuscript, dedicated to the Governors of Portugal and licenced by Bishop Pedro Brandão of Cape Verde (references which indicate the 1590s), was still extant c.1700. What we now have are single-copies of each of two versions, apparently an earlier and a later redaction, the copies in different hands but neither, of them Almada's. Neither copy is dated but it seems that each was written not later than the early seventeenth century. The two copies are here termed the Lisbon version (being MS FG/297 of the Biblioteca Nacional, Lisbon) and the Porto version (being MS 603 of the Biblioteca Publica of Porto). The copy of the Lisbon version was written in Lisbon. The title page of the Porto version gives the date of the original account as 1594. Dates for the two redactions are not given, but, in the final chapter, '12-13 years ago' of the Lisbon version becomes in the Porto version '14 years ago', suggesting that the redactions are not more than a very few years apart. Hence the account as we have it can overall be dated 'c. 1595'. Differences between the two versions are many, but only a few are substantial in terms of information supplied. An abridgement, with a very few variants and additions (the latter in updating footnotes), also not in Almada' s hand, is extant in manuscript, in a late seventeenth century copy, and has been judged by Teixeira da Mota to date from c. 1596 and to be based on a version approximating to the Porto version. The summary of material from the account printed by Guerreiro in 1605 seems not to derive from the abridged version. However, comprehensive and detailed comparison of the three manuscript versions and the 1605 printed section, not undertaken by previous editors and proposed to be done by Teixeira da Mota, remains to be undertaken.
The summary printed by Guerreiro in 1605 consists of the ethnographic information throughout the accpunt extracted and stitched together, with very occasional additions and changes almost certainly from the hand of an updating Jesuit (it may have been Father Barreira, after his arrival in the Cape Verde Islands). The summary appears as part of the Jesuit letters from the Cape Verde mission; there is no indication that the material comes from an independent written source; therefore Almada is not named. Apart from this summary, the account remained in manuscript until 1733, when the abridged version was published (giving the author's name wrongly, as 'André Goncalves d'Almada'): the publication seems to have attracted very little attention. The full account was first published in 1841, the editor printing an eighteenth century copy of the Porto version and referring to the Lisbon version, yet making almost no use of the latter. Two modern editions have appeared, both with texts in modernized orthography. The 1946 edition follows the 1841 print of. the Porto version, but an appendix gives a number of variant passages from the Lisbon version (in the original orthography). The 1964 edition supplies a text transcribed direct from the manuscript of the Porto version; and many, but not all, Lisbon variants in footnotes. Both modern editions have useful introductions which include details of the texts and previous editions, and from which most of the information above has been obtained. However they are 'editions' only in the sense that they provide and discuss texts, both lacking fuller scholarly apparatus. The 1946 edition has no Africanist annotation, the 1984 edition very little - hence the need for a new edition.
The Portuguese text translated into English below was prepared by and for Teixeira da Mota, in modern orthography, from transcriptions of both the Porto and Lisbon versions, which it conflates, all omissions, additions and variants in each being signalled in footnotes. At the end of each chapter of the translation, I give the variant passages of evidential significance. But the other footnotes, indicating minor variants and their provenance, have been omitted. Since I also do not supply the Portuguese text, this arrangement has the disadvantage that readers who consult the 1946 or 1964 texts will find that my translation does not exactly match either of the versions, though of course the Teixeira da Mota text is not greatly different from either version. Teixeira da Mota prepared, in addition, a transcription of the abridged manuscript, which was to have formed an appendix to his edition. This I have not translated though I refer to it in my annotation. Two further brief appendices were to supply a small amount of additional material in the Lisbon version - a second version of the Prologue, and two long passages (ff. 103-109 v, in another hand) dealing with the abortive settlement of Sierra Leone and Antonio Carreira's attempted journey to Timbuktu. The passages must be translated but are not ready for this edition.
The Guerreiro summary was translated into many languages, as explained below. But the only previous translation out of Portuguese of the fuller texts appeared over a century ago. Santarem, the pioneer modern historian of the Portuguese 'Discoveries', published in Paris a note on Almada, and added an abridged French translation of the Tratado, prepared by the geo-bibliographer Ternaux-Compans. Published in 1842 in a limited edition, the work soon became rare. But (as Teixeira da Mota pointed out) the French translation provided material which was heavily borrowed by contemporary French geographers, to represent the ethnographic present in Senegambia and the recently-founded French colony of Guinee. Thus the referential use of Almada's account, though generally without his name being cited, was brought up into the present century.
Teixeira da Mota arranged for the text he had prepared to be translated into English by myself, and into French by Leon Bourdon. The latter translation was prepared first, and was ready by 1970; and I acknowledge the considerable assistance it gave me in the preparation of the English translation. My own knowledge of Portuguese being a good deal less than fully competent, a preliminary translation was checked by Mrs. Maria Teresa Rogers, then Tutor in Portuguese in the Department of Hispanic Studies, University of Liverpool; but faults in the final translation are entirely mine. The translation was supported by a grant from the Calouste Gulbenkian Foundation which is here gratefully acknowledged.

P.E.H. Hair, 1986

Monday, July 26, 2010

alfabeet <-> analfabeet / digibeet <-> a(n)digibeet

Alleen een (an)alfa(beet) kon het foute digibeet bedenken voor wat a(n)digibeet had moeten zijn.

Volgens Van Dale online:
"alfabeet bestaat niet"
"an·al·fa·beet de; m,v -beten iem die niet kan lezen of schrijven"
"di·gi·beet de; m,v -beten iem die niets van computers weet"
"a(n)digibeet bestaat niet" (zie wel wikipedia/Digibeet)

(Veel meer valt er eigenlijk niet over te zeggen)

Monday, May 31, 2010

Cape Verde Islands by Patrick Gordon (1708)

From: Analysis of the whole Body of Modern Geography, by Patrick Gordon (1708)

SECT. IX Concerning the African Islands

Islands of Cape Verde are
W. to E.:
- St. Anthony
- St. Vincent
- St. Lucia
- St. Nicholas
- Insula de Sal
N.E. to S.W.
- Bonavista
- Mago
- Jago
- Insula del Fuego
- Brava
Chief Town of all is St. Jago in the Isle of St. Jago

§2. Cape Verde Islands.

NAME
These Islands (the Hesperides of the Ancients) are term'd by the Italians, Isola di Capo Verde; by the Spaniards, Islas de Cabo-Verde; by the French, les Isles du Cape Verde; by the Germans, Cape Verd Insuln; and by the English, Cape Verde Islands; so call'd from the opposite Cape in Negroe-Land, which beareth that Name, and because it is, or appeareth always of a Green Colour.

AIR
The Air of these Islands is generally reckon'd very unwholesome, especially in St. Jago, the biggest and chief of them all. The opposite Place of the Globe to Cape Verde Islands, is part of the West American Ocean, lying between 170 and 180 Degrees of Longitude, with 10 and 20 Degrees of Southern Latitude.

SOIL
The Soil of these various Islands, is not the same in all, some of 'em being very fertil, and others extreamly barren. The length of the Days and Nights in them is the same as in the Land of the Negroes, they both lying under the same Parallels of Latitude.

COMMODITIES
From these Islands, the Portugueze transport incredible quantities of Salt, as also great numbers of Goat-Skins (of which they make excellent Cordevants [cordovan ~ brown-coloured leather, ed.]); and likeways from thence may be brought most sorts of pleasant Fruits, particularly Limons, Citrons, Oranges, Coco's, Figs and Melons.

RARITIES
The most remarkable of these Islands, is the Isle of Fuego or Fogo, so call'd as being a noted Vulcano, continually sending up sulphurous Exhalations, and sometimes the Flame breaks out (Etna or Vesuvius like) in such a terrible manner, and vomits forth such a number of Pumice-stones, that it annoys all the adjacent Parts. In Insula de Sel are many natural Salt-pits, which yield a prodigious Quantity of Salt; from whence the Island derives its Name.

ARCHBISHOPRICKS, &c.
Archbishopricks, Bishopricks, Universities. None.

MANNERS
The Inhabitants of these Islands being Portugueze, are much the same with those on the Continent.

LANGUAGE
The Inhabitants of these Islands being Portugueze (as aforesaid) do still retain their own Language.

GOVERNMENT
These Islands at their first Discovery being destitute of Inhabitants, were peopl'd by their Discoverers the Portugueze, and at present belong to the Crown of Portugal, and are rul'd by a particular Governor, who assumeth the Title of Vice-Roy, and commonly resideth in the Island of St. Jago.

ARMS

RELIGION
The Portugueze here residing, are of the same Religion with those in Portugal.